Sneeuw (“weeuw” zegt Zoon) is toch iets raar. Is er iets mooiers dan een besneeuwd landschap, alle harde contouren verzacht en afgerond door een witte sneeuwdeken? Alles verstild en bevroren, een momentopname die uitgerekt wordt, met hier een daar een eenzame vogel in een kale boom. En het reikhalzend uitkijken ‘s morgens, om te zien of de weerman gelijk had en er tijdens de nacht inderdaad sneeuw gevallen is. En hopen dat hij toch tenminste één dagje mag blijven liggen. Aan de andere kant is het op de weg niets dan ellende, die enkele dagen op de 365 dat het in Vlaanderen nog eens sneeuwt. En begin je na een paar dagen sneeuw (en prut op de weg) alweer te verlangen naar dooi…
Sneeuw heeft ook iets éénmaligs. Je kan maar één keer door een ongerept winterlandschap wandelen. Als je je omdraait, verstoort een rij voetstappen de witheid…
Bij Dochter is het misschien op het randje, maar Zoon is alleszins nog te jong om later tegen zijn eigen kindjes te zeggen dat hij nog sneeuw gezien heeft toen hij klein was. Wie weet was het de laatste keer, met de opwarming van het klimaat. Zelfs ik ben er niet meer zeker van dat ik ooit al eens een echt strenge winter meegemaakt heb. Misschien toen ik een pak jonger was, toen er nog sprake was van Elfstedentochten en zo.