Dochter is een onvervalst tettergat. Daarom noem ik haar geregeld Kabouter Kwebbel.
Ik: “Gij zijt precies Kabouter Kwebbel, gij.”
Dochter: “En gij zijt precies… Dipsy!”
Ik: “Dipsy is geen kabouter, he, Kabouter Kwebbel.”
Dochter: “Dan zijt gij Kabouter …”
Ik: “Plop!”
Dochter: “Kabouter Plop! En mama?
Ik: “Mama is Kabouter Smal.”
Dochter: “Mama is Kabouter Smal! En broertje?”
Ik: “Broertje is Kabouter Smul.”
Dochter: “Broertje is Kabouter Snul!”
Ik: “Nee, Smmmmul!”
Dochter: “Snnnnnul!”
Nog een geluk dat broertje er zich nog niet veel van aantrekt. Binnen een jaar of drie-vier had het er nu bovenarms opgezeten.